|
V E I L I G E R -W I J S
|
|
OPINIE COLUMN
Van de Onderzoekschool Maatschappelijke
Veiligheid (OMV)
|
Jaargang 2
Aflevering 3
Februari 2002
|
Uitlevering
aan de VS
De
minachting voor ons eigen rechtssysteem
Als Amerika Nederland
verzoekt een eigen onderdaan uit te leveren, blijkt ze niet de garantie
te willen geven dat veroordeelden de straf in Nederland uit kunnen zitten.
Mede door wat in de VS bewijsrechtelijk mogelijk is, door draconische
straftoemeting en door de penitentiaire behandeling, ontstaat zo het
risico van strijd met het EVRM. Toch stemt de rechter nogal eens toe
in uitlevering – tot ergernis van Tom Schalken, die hem oproept zijn
slaafse houding te laten varen.
De recente uitlevering van de ‘Zwolse dj’ Raymond K. en zijn vriend Bas van
der P., die verdacht worden van XTC-handel naar de VS, heeft de nodige
publiciteit gekregen. Een hoger beroep loopt nog maar dat kon de uitlevering
niet meer tegenhouden. Hoewel Nederland wel vaker eigen onderdanen uitlevert,
vroegen de media zich nu ineens hardop af of dit zomaar kon. Het antwoord
luidt: neen, dat kan niet zomaar. Nederland levert in principe geen
eigen onderdanen uit (art. 4 lid 1 Uitleveringswet). Op dit harde principe
bestaat één uitzondering: indien de verzoekende staat garandeert dat de verdachte na een veroordeling zijn straf in eigen
land mag uitzitten (art. 4 lid 2 Uw), is het toegestaan hem uit te leveren.
‘Welwillend’
De Nederlandse staat is zelfs verplicht tot uitlevering naar de VS (art. 8
lid 1 Nederlands-Amerikaans Uitleveringsverdrag), maar wel onder de
voorwaarde dat gewaarborgd is dat de uitgeleverde persoon hier – met
toepassing van de exequaturprocedure – zijn vrijheidsstraf mag ondergaan.
Zonder voorwaarde is er dus ook geen plicht. En daar klemt de deur.
Want Amerika is niet bereid in elke zaak een duidelijke terugkeergarantie
af te geven. Blijkens een niet-gepubliceerde diplomatieke notawisseling
uit 1991 – waarvan de status volkenrechtelijk onduidelijk is en die
dus in individuele zaken geen rol zou mogen spelen – hebben de VS een
algemene bereidheid uitgesproken om verzoeken met betrekking tot de
overdracht van strafexecutie ‘welwillend’ in overweging te nemen. In
ruil voor die genereuze toezegging zou Nederland ervan afzien om in
individuele gevallen een terugkeergarantie te verlangen, terwijl dat
ten aanzien van andere landen wel gebeurt.
Maar: sinds wanneer houdt welwillendheid een garantie in? Degene die zich
welwillend opstelt, behoudt zich het recht voor om in een zelf te bepalen
geval niet welwillend te zijn.
Hoe zwaar weegt dan nog voor de Nederlandse staat het harde principe
dat geen eigen burgers worden uitgeleverd? Hoe verhoudt het standpunt
van de Nederlandse staat zich met een uitspraak van de Hoge Raad (NJ
1996, 382) waarin, met verwijzing naar de uitdrukkelijke regeling in
de Uitleveringswet en de duidelijke bedoeling van de wetgever, eveneens
de toelaatbaarheid van een uitlevering wordt gekoppeld aan een bedongen overdracht van de strafexecutie?
Toch neemt de Nederlandse rechter, inclusief de Hoge Raad, met een algemene
en tot niets verplichtende belofte genoegen.
Toelaatbaar bewijsmateriaal?
Nu kan men zeggen: het is hoge politiek en de rechter staat daar buiten. Dat
is maar de vraag. Juist omdat Amerika niet bereid is individuele garanties
af te geven en de Nederlandse staat daarmee genoegen neemt, zou de Nederlandse
rechter kritischer moeten nagaan of de VS een voldoende sterke zaak
heeft die uitlevering van een Nederlandse onderdaan rechtvaardigt. Want
de uitlevering weigeren – anders dan alleen vanwege het Nederlanderschap
– blijft mogelijk. Een eigen burger op basis van een slappe belofte
uitleveren aan een buitenlands regiem (met grote onzekerheden omtrent
de bewijsvoering, de straftoemeting en de humane behandeling in de gevangenis)
is al erg genoeg. Maar als dit ook nog gebeurt zonder een grondige en
inhoudelijke toetsing van de zaak, komt de uitlevering pas echt op gespannen
voet te staan met grondbeginselen van de Nederlandse rechtsstaat.
Wat blijkt? De rechter blijkt helemaal niet zo kritisch te staan tegenover
een Amerikaans uitleveringsverzoek. De VS hoeven maar te blazen en de
deuren waaien in Nederland vanzelf open. De gang van zaken rond de Zwolse
dj is daarvan een triest voorbeeld. De Zwolse rechtbank oordeelde in
eerste instantie dat de door de VS overgelegde stukken, waaruit de strafrechtelijke
verdenking zou moeten blijken, niet genoegzaam waren. Zij beval, op
verzoek van de verdediging, aanvulling van het dossier alsmede de oproeping
van twee Amerikaanse functionarissen om als getuigen te worden gehoord.
De stukken gaven voldoende aanleiding tot twijfel over de toelaatbaarheid
van het overgelegde bewijsmateriaal. Die twijfel activeerde de onderzoeksplicht zoals die in de Uitleveringswet aan de rechter is opgelegd
(artt. 18 en 26 lid 4 Uw).
Bij een dergelijk onderzoek staat het Nederlands recht (inclusief het EVRM)
centraal, zeker als de belastende feiten of aanwijzingen overwegend
in het eigen land zijn verkregen (zoals in de Zwolse zaak het geval
is). Nederland denkt soms wat anders dan de VS, zeker na invoering van
de Wet Bob, over infiltratie c.q. pseudokoop door DEA-agenten waarvan
er diverse in Nederland actief zijn (NJ
1998, 388). Is voldaan aan de vereisten waaronder buitenlandse opsporingsfunctionarissen
in Nederland mogen optreden? En: als een veroordeling uitsluitend op
basis van anonieme verklaringen niet is toegestaan, mag uitlevering
dan wel uitsluitend op basis van dergelijke verklaringen plaatsvinden?
Beantwoording van deze vragen door een Nederlandse rechter is van belang,
omdat na de uitlevering de Amerikaanse rechter zich niets aantrekt van
de wijze waarop het bewijs in het buitenland tot stand is gekomen.
Ook op dit punt toont de Hoge Raad veel meegaandheid. Het is vaste jurisprudentie
dat de uitleveringsrechter niet behoort te treden in de vraag of het
bewijs naar het recht van de verzoekende staat op rechtmatige wijze
is verkregen (NJ 1987, 64).
Nu heeft de Hoge Raad beslist dat dit ook geldt als buitenlandse opsporingsfunctionarissen
in ons land actief zijn (NJ 2001, 618). Dit standpunt valt nog te
verdedigen als er geen aanwijzingen zijn dat er iets onrechtmatigs is
voorgevallen.
Contempt
of court
Wat gebeurt er in de Zwolse zaak? De rechtbank vindt zelf dat er voldoende
aanleiding is een nader onderzoek in te stellen. Toch negeert de officier
van justitie het bevel van de rechtbank, legt niet de documenten over
waarom was gevraagd en roept evenmin de Amerikaanse functionarissen
op. Sterker nog: de Nederlandse minister van justitie steunt het OM
en brengt het rechterlijk bevel ‘onder de aandacht’ van de Amerikaanse
autoriteiten die ronduit weigeren te getuigen. Hoe heet dat ook alweer
in het Amerikaanse recht? Precies, contempt
of court.
Voor elke redelijk denkende jurist is het vervolg voorspelbaar. De rechtbank,
die immers geen genoegen nam met het beschikbare bewijsmateriaal, verklaart
de uitlevering ontoelaatbaar. Zo niet de Zwolse rechtbank, die (in een
andere samenstelling) na een verontwaardigde brief uit de VS ineens
– hoe wonderlijk – geen behoefte meer had aan de getuigen en de gevraagde
documenten. Volgens de brief uit de VS was hetgeen
de rechtbank wilde in strijd met het Uitleveringsverdrag. Merkwaardig,
nu dit verdrag de Nederlandse rechter met zoveel woorden de bevoegdheid
toekent aanvullend bewijsmateriaal te vragen (art. 10), hetgeen kan inhouden dat de rechter getuigen oproept (art. 26 lid
4 Uw), waaronder Amerikaanse DEA-agenten die immers verplicht zijn desgevraagd
in Nederland te getuigen (art. 6 lid 1 sub b Samenwerkingsbesluit bijzondere
opsporingsbevoegdheden).
De Amerikaanse briefschrijfster bedoelde natuurlijk te zeggen: wij houden
niet van pottenkijkers, ook niet als onze DEA-medewerkers op jullie
grondgebied actief zijn. Nee, de DEA staat niet te trappelen om te getuigen. De commisie-Van Traa klaagde niet zonder reden
over de ‘onwil’ van de DEA om aan haar onderzoek mee te werken (Inzake opsporing, 1996, p. 481).
De Zwolse zaak roept herinneringen op aan een andere geruchtmakende zaak waarin
de VS eerst om huiszoeking bij de Arubaanse zakenman H. en daarna om
diens uitlevering hadden gevraagd. Toen de Hoge Raad de huiszoeking
onrechtmatig oordeelde (NJ
1998, 724) , vroeg de (Antilliaanse) justitie aan de VS om aanvullend
bewijsmateriaal, hetgeen zonder meer werd geweigerd. Toen bleek ineens
dat justitie – hoe wonderlijk – toch nog over voldoende ander bewijs
beschikte (Sjöcrona schreef hierover een boze opinie in NJB
1998/19, p. 865). Bovendien bleek – hoe wonderlijk – dat de huiszoeking
toch nog rechtmatig was, omdat de zakenman H. destijds met die huiszoeking
zou hebben ingestemd (NJ 2001,
261).
Schuldbekentenis
De rechter in uitleveringszaken verwijst steevast naar het in het internationale
rechtshulpverkeer onontbeerlijke beginsel van wederzijds vertrouwen
in elkaars rechtssysteem. Als er echter één land is dat de laatste tijd
dit vertrouwensbeginsel zwaar op de proef stelt is het wel Amerika,
dat er sedert het aantreden van Bush geen been in ziet om het vertrouwen
in allerlei verdragen op milieu-, handels- en wapengebied ter discussie
te stellen. Is Nederland op drugsgebied nog wel te vertrouwen? De VS
verwijten Nederland met betrekking tot het bestrijden van de XTC-handel
een lakse houding. Was premier Kok daarop niet in het Witte Huis persoonlijk
aangesproken? Dus waarom zou Amerika – trots op een rechtssysteem dat
met de rug naar de wereld staat – op voorhand een garantie afgeven om
terug te keren naar een land – waar ligt dat ook alweer? – met een liberaal
drugsbeleid, zodat de straf in Nederland waarschijnlijk toch naar beneden
zal worden bijgesteld? Over wederzijds vertrouwen gesproken.
Nu is het waar dat een rechter in uitleveringszaken, zeker de ‘restrechter’
in kort geding, aan die brede politieke context niet zoveel heeft. Hij
verwacht dat door de verdediging aannemelijk wordt gemaakt dat de opgeëiste
persoon in zijn concrete situatie niet conform de regels – inclusief
de EVRM-regels van een eerlijk proces – zal worden behandeld, aldus
de Soering-doctrine (NJ 1990,
158 en NJ 1997, 70). Het probleem
is natuurlijk dat dit van tevoren niet met zekerheid valt te zeggen.
Maar er zijn wel voldoende aanwijzingen dat daarover grote onzekerheid
bestaat. In termen van de Hoge Raad moet er sprake zijn van een ‘risico’
(NJ 1991, 696). Met name op het vlak van
wat in de States bewijsrechtelijk
mogelijk is (wat in het buitenland gebeurde is niet van belang), op
het stuk van de straftoemeting (de straffen kunnen voor onze begrippen
draconisch zijn) en met betrekking tot de penitentiaire behandeling
(met de serieuze kans op – seksuele – mishandeling), is wel degelijk
het risico van strijdigheid met het EVRM aanwezig.
Een ander risico ligt in de mogelijkheid dat de zaak via plea bargaining wordt afgedaan. De Arubaanse
zaak is daar een goed voorbeeld van. Het komt geregeld voor dat de VS
tijdens het uitleveringsverzoek hoog van de toren blazen maar dat zij
achteraf over onvoldoende bewijs tegen de uitgeleverde verdachte blijken
te beschikken om de zaak voor de rechter te brengen. In dat geval wordt
de belofte van terugkeer tot inzet gemaakt van een guilty
plea die de Nederlander onder druk van de omstandigheden in ’s hemelsnaam
maar accepteert. Vaak blijkt de (afgedwongen) bekentenis onvoldoende
betrekking te hebben op feiten die de uitlevering naar de VS en de daar
ondergane (lange) detentie kunnen rechtvaardigen. Zonder rechterlijke
veroordeling zijn de VS trouwens sowieso verplicht om de uitgeleverde
zonder enige voorwaarde direct terug te sturen. Aanvaardt de Nederlandse
staat eigenlijk aansprakelijkheid voor de uitlevering van eigen onderdanen
die gedeukt en zonder behoorlijk proces naar Nederland terugkeren?
Zwakke knieën
Tegen die achtergrond van geredelijke twijfel zou de Nederlandse rechter actiever
kunnen zijn om – zonder nu meteen de gevraagde uitlevering te blokkeren
– expliciet en nauwkeuriger juridische voorwaarden (zoals de terugkeerconditie,
ook als er geen strafproces plaatsheeft) te verbinden aan een uitlevering
dan wel om de Nederlandse staat via een rechterlijk bevel aan te moedigen
om op diplomatiek niveau – in afwijking van de geheime notawisseling
– van de VS te verlangen dat zij bij elk uitleveringsverzoek een individuele
terugkeergarantie afgeven. Als de VS dat zouden weigeren – waardoor
uitlevering rechtstreeks in strijd zou komen met de uitdrukkelijke wens
van de Nederlandse wetgever -, komt aan het hooghouden van het vertrouwensbeginsel
elke grond te ontvallen. Dan rest de rechter nog slechts de goedmoedigheid
om de Minister van Justitie in overweging te geven bij de VS het strafdossier
op te vragen, zodat eventueel vervolging in eigen land kan plaatsvinden.
Als de VS ook de overdracht van het strafdossier zouden weigeren, weten
we in elk geval zeker dat zij geen enkel vertrouwen in ons rechtssysteem
hebben.
Dat de Nederlandse politiek in relatie tot de VS over zwakke knieën blijkt
te beschikken is niet zo verwonderlijk. Je zult maar de verdenking op
je laden dat je sympathiseert met de Twin Towers-terroristen. Wie niet
voor ons is, is tegen ons, nietwaar? De Nederlandse staat wil natuurlijk
laten zien dat het haar ernst is met de XTC-bestrijding hier te lande
en blijkt in dat licht bereid het sacrosancte beginsel (dat geen eigen
onderdanen worden uitgeleverd) onder veel versluierende wierook te offeren
op het machtige altaar van de hogere Amerikaanse belangen. Maar dat
rechters na wat Amerikaanse
tegenwind plotsklaps hun eigen opvattingen en hun eigen rechtssysteem
niet meer serieus nemen, stemt
droevig.
Het moet gezegd: de Amerikanen zijn trouwer aan hun eigen principes dan de
Nederlanders. De gebetenheid van de VS om eigen mensen – in de praktijk
– niet uit te leveren (zelfs niet aan een internationaal strafhof!)
staat wel een in erg schril contrast tot de Nederlandse slaafsheid om
dat wel te doen. Wat moeten de Amerikanen niet van ons denken?
Tom Schalken
Dit
artikel is gepubliceerd in Advocatenblad 2002, nr. 4, 22 februari 2002,
p. 150-153.
Tom
Schalken is hoogleraar strafrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
en verbonden aan de Onderzoekschool Maatschappelijke Veiligheid.